Wie aan het Gooi denkt, denkt vaak aan rijk en kouwe kak. Dat laatste is niet heel toevallig, want kak speelde inderdaad een belangrijke rol in dit gebied. Het Gooi wordt, qua landschap gekenmerkt door heidevelden, stuwwallen en heidevelden op de stuwwallen. Dat deze heidevelden daar liggen is niet heel toevallig.

Het landschap van het Gooi is een zogenaamde Zandlandschap en is gevormd gedurende de twee ijstijden: Saalien (238.000 tot 126.000 jaar geleden) (links) en Weichselien (116.000 tot 11.700 jaar geleden) (rechts). Tijdens het Saalien kwam landijs vanuit Scandinavië geschoven tot aan de HUN lijn (Haarlem, Utrecht, Nijmegen). De sporen daarvan, zogenaamde eindmorenen, vinden we o.a. terug in de vorm van stuwwallen. Het kilometer(s) dikke landijs duwde de bodem als het ware op tot hoge heuvels. De Tafelbergheide en de Blaricummerheide liggen op de hoogste delen van de Gooise stuwwallen.

denudatievlakten (dessertpavements)

windkanters

Deze stuwwal bestaat uit grind-, zand- en leemlagen en is in twee fasen ontstaan. Op de Tafelbergheide vinden we een aantal denudatievlakten (dessertpavements). Deze ontstonden tijdens het Weichselien. In deze ijstijd was het Gooi niet bedekt met ijs, maar was het vergelijkbaar met een poolvlakte. Poolstormen voerden het zand af, terwijl het zwaardere grind bleef liggen. Door eolische erosie (erosie door wind) werden de stenen aan verschillende kanten afgevlakt. Dit soort stenen noemen we windkanters. Hierdoor ontstonden er uitgestrekte gebieden die uit zandgronden bestonden. Zandgronden zijn niet heel vruchtbaar, waardoor er voedselarme planten daar goed kunnen leven. Hierdoor ontstonden de grote heidevelden die zo kenmerkend zijn voor de zandgronden. Echter, deze heidevelden zijn slechts een fase binnen de successie van een gebied. Deze heidevelden worden dus in stand gehouden door de mens door begrazing en afbranden. 

 

Terug naar de kak. In het Gooi was vroeger veel gemengd bedrijf. Boeren hielden schapen en deze laatste liepen vaak over de heide. In zogenaamde potstallen (de schaapskooi op de Blaricummerheide is een potstal) werden de mest van het vee opgevangen, waarna deze over de akkers uitgestrooid werd. Zandgronden zijn namelijk niet heel vruchtbaar.

Schaapskooi op de Blaricummerheide

Leemkuil op de Tafelbergheide

Op die manier ontstonden verhoogde akkers, die men hier engen of enken noemen. Je vindt er cultuurhistorische elementen van het Gooise Brinkdorpenlandschap.  Men spreekt meestal van een brink wanneer er bomen op de eng staan. Op die manier ontstonden verhoogde akkers, die men hier engen of enken noemen.  Deze boeren woonden in simpele boerderijen. De wanden van deze boerderijen en de wegen werden meestal versterkt met leem. Dit leem werd uit zogenaamde leemkuilen gehaald die op de heidevelden gegraven werden (rechts). Deze leemkuilen zijn nu van biologisch belang, omdat er in deze putten Hier groeien onder meer wilde tijm, kruisdistel, wilde roos, grasklokje, geelhartje, hondsviooltje, rolklaver, vleugeltjesbloem, wilde peen, bochtige klaver, kattendoorn en rozenkransje groeien.

Op andere plekken werden groeves aangelegd, zoals de groeve Rijsbergen naast de Woensberg. op de zogenaamde Oostermeent. Uit deze groeve werden tot 1975 kalkzanden gegraven voor een vlakbij gelegen kalkzandsteenfabriek.

Brink van Muiderberg

Brink van Blaricum

Brink van Laren

Blaricummer eng

Naarder eng

In het gebied vind je dus ook veel engen. Je kunt deze herkennen in het landschap aan de hand van de zandpaden die tussen de akkers doorlopen en de afwisseling van akkers en weilanden. Langs de akkers en de weilanden vind je de bos- en houtwallen (soms schurvelingen genoemd) die bedoeld waren om overstuiving door dekzand te voorkomen. 

Oostermeent met schapen

De Woensberg in de Warande

Naast de eng vond je meestal de meent. Dit gebied was voor algemeen gebruik. Mensen lieten hier schapen grazen, gebruikten het voor de opslag van hout et cetera. De reden dat de meent hiervoor gebruikt werd, was omdat de bodem van de meent niet heel vruchtbaar was.

Het hoogste punt van de Woensberg zijn de Warandebergen (23m + NAP). Een warande was een besloten jachtterrein. In dit geval is er sprake van een konijnenwarande. De pachter had het recht hier op konijnen te jagen, maar moest ook de populatie in de gaten houden.

Tenslotte vinden we hier één van de weinige bijenschansen die nog in Nederland aanwezig zijn. De typische vorm van een bijenschans was een ronde of vierkante aarden wal, waarbinnen veertig tot zestig bijenkorven stonden opgesteld. Door de dichte begroeiing op de wal ontstond er een Schans die hielp bij de verdediging van de bijenkorven, want in die dagen was honing in deze regio de enige zoetstof en dus het verdedigen waard.

Het waren vooral boerengemeenschappen. Hoe komt het dat Het Gooi nu zo rijk is? Wie de stuwwal van Het Gooi afdaalt, komt heel snel in het laagveengebied. Heel kort door de bocht liggen de veengebieden tegen de stuwwallen aangeplakt. Dat is logisch, want toen het landijs, dat Nederlands deels bedekt had, smolt, steeg de zeespiegel. De lagere delen van Nederland overstroomde, maar de hogere delen, waaronder de stuwwallen, bleven droog. Langs de kust ontstond een strandwal, terwijl het water daarachter kalmeerde. Hierdoor kon verlanding ontstaan, met veenvorming als gevolg. In gebieden rondom het Naardermeer (dit meer is ooit drooggelegd en daarna weer onderwater gezet!!!) zie je duidelijk de zogenaamde elzenbroekbossen (soort moerasbos) en de verlanding bezig.

Elzenbroekbos

Legakkers en petgaten

Legakkers met een poldermolen in de achtergrond.

Doordat er behoefte was aan brandstof en landbouw, werden deze veengebied afgegraven. Eerst droge vervening (hoogveen), daarna natte vervening (laagveen). Door dit laatste ontstonden de kenmerkende plassen met hun legakkers en petgaten.

Rond die tijd is de tulpenmanie. Hierdoor konden mensen in korte tijd schatrijk worden en zij lieten van hun geld dure landhuizen buiten de stad bouwen (voor Aerdenhout en Bentveld geldt een soortgelijk verhaal). Om deze huizen te kunnen bouwen was zand nodig voor de fundamenten. Dit zand werd afgegraven in ’s Gravenland. Vanuit de stad kwam er dan weer huisvuil om de percelen in ’s Gravenland op te hogen en vruchtbaar te maken. Tevens ontdekte men de schoonheid en rust van dit gebied en begon men hier dure landhuizen te bouwen (foto 7). Hier begon dus beetje bij beetje de welvaart van het Gooi te ontstaan.

De opkomst van de stedelingen naar Het Gooi betekende wel een strijd tussen de Erfgooiers, een soort unie van boeren die al sinds de 13e eeuw bestond en de welgestelde stedelingen over het bezit van land. Veelal verloren de boeren, omdat zij ongeletterd waren. Dit resulteerde uiteindelijk in de Erfgooierswet van 1912. Tegenwoordig worden plaatsten als Blaricum en Laren gerekend tot de rijkste gebieden van Nederland.