Voor dit landschap volgen de naamgever van de stad Amersfoort (= doorwaadbare plaats (voorde) in de Eem) het riviertje de Eem en we volgen haar richting haar monding in het Eemmeer. Let op, de Eems ligt tussen Groningen en Duitsland, dat maakt het een totaal ander watertje. We hebben het dus over de Eem in Utrecht. Met name het deel van de Eem in de Maatpolder is interessant. We zitten hier namelijk in een overgangsgebied van de dekzanden van de stuwwallen en de jonge zeeklei vanuit de voormalige Zuiderzee, nu heet dit deel Eemmeer. Op het kaartje staat Wakkerendijk. De dijk heet op dit stuk nog Meentweg. Meer zuidelijk verandert de naam in Meentweg. Maar door deze naam te gebruiken, is het duidelijker dat er hier sprake is van een dijk.  

 

Langs het plaatsje Eemnes loopt een lange dijk: de Wakkerendijk en de Meentweg. Deze dijk was de vroegere zeewering.

 

Dwars op deze dijk loopt een zogenaamde zomerkade. Wie over deze zomerkade loopt, wat een behoorlijke wandeling is, ziet op sommige plekken meertjes, waar de dijk keurig omheen loopt. Dit zijn de ‘Waaien van het Eemland’. Een waai, ook wel wiel of kolk, zijn plekken waar de dijk doorbrak. Achter de dijken is het water gaan kolken, waardoor er dus kolkgaten ontstaan. Daarna heeft men de wielen zo gelaten en heeft men de dijk er netjes omheen gelegd. Zulke kolkgaten zijn namelijk prima te gebruiken voor andere doeleinden. 

 

Waai, wiel of kolk(gat)

 

De Zuiderzee speelde een belangrijke rol bij de vorming van dit gebied. Na het Saalien kwam het smeltwater van de ijskap opzetten en werd dit gebied overspoeld. Daardoor kon hier zeeklei afgezet worden. Dit vond plaats tot aan de voet van de stuwwal bij Blaricum. Zuidwaarts nam de hoeveelheid af, omdat de zee niet al te ver het land kon binnendringen. Daardoor ontstond er hier (rond de Volkersweg en de Stammeweg) een overgangsgebied van zeeklei naar dekzand. Ook de getijdenwerking van de Zuiderzee speelde hierbij een rol. Dit verklaart ook de trechtervorm van het sedimentatiegebied van de Zuiderzee.

 

Terug naar die zomerkades. In de Middeleeuwen trachtte men de overstromingen een halt toe te roepen door de zomerkades, extra dijkjes die bij laag water de zee moesten tegenhouden, op te werpen. Op een deel van deze zomerkades loopt nu nog een karrenpad uit die tijd. De aanwezigheid van kolken toont aan dat dat niet altijd even succesvol was. Ook het estuarium van de Eem is door getijdenwerking in een veenweide ontstaan. De stroming erodeerde het veen hier weg, waardoor de monding van de Eem verbreed werd tot een trechtervorm.

 

Op de zeeklei ontstond later een zeer typisch veenweidegebied. In dit geval valt het gebied op door haar strookverkaveling, wat hier een slagenverkaveling is. Heel dunne, langgerekte akkers en weiden. Eemnes is dan ook een lintdorp.